Wanneer er in het voorjaar bij opkomst of rond het sluiten van het gewas een valplek gezien wordt kan het opgraven van planten duidelijkheid verschaffen over de oorzaak. Trek de planten niet uit de grond maar zet de schop eronder. Op het fijnste wortelmateriaal zijn de symptomen vaak het mooist te zien.
Knobbels of cysten op de wortels, vertakkingen, afstomping, lesies. Het zijn allemaal aanwijzingen welk aaltje de veroorzaker van de schade zou kunnen zijn.
Wanneer het bekijken van het wortelstelsel van de aangetaste planten geen uitsluitsel geeft kan via bemonstering van grond en gewasmateriaal een vermoeden worden bevestigd. Een methode die veel informatie oplevert, is het nemen van een monster (grond en wortels) uit de rand van de slecht groeiende plek en een tweede net buiten de slecht groeiende plek. Vergelijking van de beide uitslagen geeft een indicatie voor de aaltjessoort die verantwoordelijk is voor de groeiachterstand. Gewasbemonstering is vooral zinvol in het begin van het groeiseizoen. Na juni zijn de aaltjes, die eerder hebben gezorgd voor de schade, niet meer rond de aangetaste wortels te vinden.
Gedurende het groeiseizoen een grondmonster op aaltjes laten analyseren kan voor Trichodoride aaltjes nog wel eens nullen opleveren terwijl er wel typische Trichodoride schade optreedt. Dit ligt vaak aan het feit dat op het moment van bemonsteren de bovenlaag te warm of te droog is.
Vooral tijdens het groeiseizoen is het voor Pratylenchus en Meloidogyne aaltjes belangrijk om het monster ook te laten incuberen! |